|
Ondanks hun reputatie van traagheid, matige
rijeigenschappen en gebrek aan comfort kunnen de Amsterdamse
drie-assers beschouwd worden als eerste moderne stadstrams
in het Nederland van na de Tweede Wereldoorlog. Voorzieningen
als electrische vouwdeuren en een passagierscirculatiesysteem
met zittende conducteur waren in ons land nog niet eerder
toegepast.
Tijdgenoten, zoals de Haagse 200'en en de Rotterdamse
Allans, waren traditioneel van indeling, met een lopende
conducteur. Wel wonnen deze het met betrekking tot comfort
en rijeigenschappen van hun Amsterdamse collega's, hetgeen
hoofdzakelijk te wijten was aan de zuinigheid van de
Amsterdamse polotiek, die voor een dubbeltje op de eerste
rang wilde zitten.
In 1948 werden de beide proefmotorwagens 491 en 492
afgeleverd en in dienst gesteld op lijn 26. In 1949
ging de serie-aflevering van 58 motor- en 50 bijwagens
van start, die in de loop van 1950 werd afgerond. In
1983 werden de laatste exemplaren buiten dienst gesteld.
Door de noodgedwongen toepassing van kwalitatief minderwaardige
materialen kwamen er in de loop der jaren vele gebreken
aan het licht die ingrijpende maatregelen noodzakelijk
maakten. Zo moest onder andere de gehele beplating en
bekabeling vernieuwd worden. In feite kon met spreken
van totale nieuwbouw. Door genoemde ingrepen en noodzakelijke
modernisering veranderde ook het uiterlijk van de drie-assers.
De van oorsprong wat kale wagens werden steeds kleurrijker,
zeker nadat ze waren voorzien van een grote filmkast
en de zo typerende 'bloedneus'.
Dit boek bevat 'in a nutshell' de volledige levensloop
van dit enigszins vergruisde, maar voor Amsterdam zo
karakteristieke materieel. Voorts wordt stilgestaan
bij plannen en pogingen bestaand materieel analoog aan
de drie-assers te moderniseren, waaraan het GVB uiteindelijk
een aantal interessante producten van huisvlijt overhield,
zoals 'Utrechtenaar' 12 en een zestal verbouwde 'blauwen'.
Het geheel wordt ingeleid met een terugblik op de oorlogsjaren
en de gevolgen daarvan voor materieel en infrastructuur,
waarbij ook in de keuken van andere trambedrijven wordt
gekeken. Vervolgens komen de voorbereidingen tot de
bouw en vele perikelen als gevolg van bureaucratie en
de moeizame verwerving van materialen en deviezen aan
bod. Na een uitgebreide beschrijving van de wederwaardigheden
van het materieel en de talloze aanpassingen en verbouwingen
wordt in een zestal hoofdstukken een overzicht gegeven
van de exploitatie. Hierbij ligt het hoofdaccent uiteraard
op de drie-assers.
Aangezien een materieelsoort echter altijd opereerd
in een bepaalde context wordt één en ander
in een breder verband geplaatst, met onder andere ook
aandacht voor andere materieel soorten, ontwikkelingen
in de infrastructuur en belangrijke gebeurtenissen,
zoals bijvoorbeeld de tramstaking in 1955. Tot slot
volgt een beschrijving van het thans nog in het museumbestand
aanwezige drie-assige meterieel en de expoloitatie daarvan
op de museumlijn en het stadsnet.
Het boek is verlucht met circa 250 voor een deel nog
nooit gepubliceerde foto's, volgens de huidige standaard
vervaardigde materieel tekeningen, lijnnetkaartjes en
documenten.
|